Door: Astrid M. Vereecken-Schoo, MSc, gepubliceerd op: 03/06/2026
Wat onderzochten we?

🗨️ We onderzochten in hoeverre Nederlandse verloskundigen de intentie hebben om in het vak te blijven en welke factoren hierop van invloed zijn en welke redenen verloskundigen hebben voor hun intentie om te blijven. Dit hebben we onderzocht in de verschillende werksettingen (eerstelijns en klinisch) en werkervaring.

Wat is Intention to stay

🗨️ Intentie om te blijven verwijst naar de motivatie en bereidheid van een verloskundige om in het beroep te blijven werken. Het is niet het tegenovergestelde van de intentie om te vertrekken. Beide intenties (om te blijven en te vertrekken) kunnen tegelijkertijd aanwezig zijn door conflicterende motivaties. Intentie om te blijven factoren zijn positieve factoren die worden beïnvloed door persoonlijke kenmerken, de werkomgeving en externe factoren.

Wat was het doel van het onderzoek?

🗨️ Het doel van het onderzoek was om inzicht te krijgen in welke factoren bijdragen aan het behouden van verloskundigen in het vak. Naast bestaande kennis over redenen om te vertrekken, is er behoefte aan meer inzicht in waarom verloskundigen juist blijven.

Waarom was dit onderzoek belangrijk?

🗨️ Er was nog onvoldoende bekend over welke factoren precies bijdragen aan de intentie om in het vak te blijven, en of dit verschilt per werksetting of ervaringsniveau. Deze kennis helpt om motiverende factoren te herkennen en te versterken binnen de organisatie van de verloskundige zorg, zodat waardevolle expertise behouden blijft.

Hoe zag het onderzoek eruit?

🗨️ Het betrof een cross-sectioneel vragenlijstonderzoek onder 984 Nederlandse verloskundigen. Er werd gekeken naar de intentie om in het vak te blijven, met aandacht voor verschillen in werksetting en werkervaring. Binnen deze groepen is onderzocht welke factoren samenhangen met de intentie om te blijven en welke redenen verloskundigen zelf aangeven die hieraan bijdragen.

Door wie werd dit onderzoek gedaan?

🗨️
Astrid M. Vereecken-Schoo a,b,c,d,1
Liesbeth Kool a,b,c,d,2,
Ank de Jonge a,b,c,d,e,3
Esther I. Feijen-de Jong a,b,c,d,4 a ,
a University of Groningen, University Medical Center Groningen, Department of Primary and Long-term Care, Groningen, the Netherlands
b Midwifery Academy Amsterdam Groningen, Inholland, the Netherlands
c Amsterdam UMC location Vrije Universiteit Amsterdam, Midwifery Science, De Boelelaan 1117, Amsterdam, the Netherlands
d Amsterdam Public Health, Quality of Care, Amsterdam, the Netherlands
e Amsterdam Reproduction and Development, Amsterdam, the Netherlands

Wat heeft het onderzoek uitgewezen?

🗨️ De resultaten laten zien dat ongeveer 70% van de verloskundigen aangeeft in het vak te willen blijven, ongeacht werksetting of jaren werkervaring.

De intentie om te blijven hangt samen met hun passie voor de verloskunde, werkplezier, het kunnen werken volgens eigen professionele waarden en een goede werk-privébalans. Tegelijkertijd worden context specifieke verschillen zichtbaar. Eerstelijns verloskundigen wensen betekenisvolle relaties ervaren met de zwangeren, terwijl klinisch verloskundigen waarde hechten aan de samenwerking met collega’s.

Daarnaast is autonomie in het werk gerelateerd aan de intentie om te blijven werken als verloskundigen, maar verschilt tussen verloskundigen in aantal werkervaringsjaren.  Waar ervaren eerstelijns verloskundigen autonomie vaker noemen als reden om te blijven, ervaren startende verloskundigen met blijf-intentie juist minder autonomie. Dit kan wijzen op de behoefte van deze laatste groep aan begeleiding in de vroege loopbaan. Meer ruimte voor autonomie is van groot belang verderop in de loopbaan.

Is er iets gedaan met de resultaten van het onderzoek?

🗨️ Voor het behoud van verloskundigen is het van belang dat er ingespeeld wordt op de mate van autonomie, afgestemd op de ervaringsjaren. Daarnaast is het van groot belang om ruimte te blijven bieden aan de betekenisvolle relaties met zwangeren, met collega’s en met de passie voor het vak.

Het artikel is open access beschikbaar via: https://doi.org/10.1016/j.wombi.2026.102216

Astrid M. Vereecken-Schoo, MSc