Variaties in interventies tijdens de bevalling

In deze studie wordt onderzoek gedaan naar het gebruik van interventies tijdens de bevalling. Tijdens een bevalling kunnen er verschillende interventies ingezet worden die nodig kunnen zijn om problemen te voorkomen of op te lossen. Daarbij kun je denken aan: inleiden van de bevalling, gebruik van weeënopwekkers, pijnstilling, het zetten van een knip, vacuümbevalling, keizersnede en de betrokkenheid van een kinderarts. In dit onderzoek worden deze interventies ook in het licht bekeken van welke zorgverlener de bevalling heeft begeleid, de plaats van de bevalling, kenmerken van de barende vrouw, zoals leeftijd, en nadelige uitkomstmaten, zoals een lage Apgar score.

Aanleiding/methode

Interventies tijdens de bevalling worden niet in alle landen op dezelfde manier gebruikt en ook binnen landen zijn er verschillen in het gebruik ervan. Cijfers over hoe vaak interventies gebruikt worden, laten dit goed zien. Uit eerder onderzoek is al duidelijk geworden dat in sommige landen interventies te vaak worden gebruikt en in andere landen te weinig. Dit kan ertoe leiden dat sommige problemen die tijdens de bevalling kunnen optreden, onvoldoende worden voorkomen. Maar aan de andere kant zullen er ook veel vrouwen blootgesteld worden aan onnodige interventies. Omdat interventies zelf ook risico’s met zich meebrengen, is het belangrijk dat vrouwen geen interventie ondergaan als het niet echt nodig is.

Doel

Het doel van dit onderzoek is om verschillen tussen landen en regionale verschillen binnen Nederland in kaart te brengen. Als iedereen kan zien wat de daadwerkelijke cijfers zijn van het gebruik van interventies, is het ook gemakkelijker om met elkaar in gesprek te gaan over wanneer interventies nodig zijn en wanneer niet.

Relevantie

Dit onderzoek zal informatie geven die nodig is om de zorg rondom de bevalling te verbeteren. Wanneer cijfers tussen landen en tussen regio’s vergeleken worden, wordt ook duidelijker waar mogelijk te weinig en waar teveel interventies worden gebruikt. Zo kunnen zorgverleners van elkaar leren en gemakkelijker met elkaar in gesprek gaan.